ECLI:NL:CRVB:2023:2390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding tussen zorgverlener en moeder
Appellant verleende zorg aan zijn moeder op basis van een zorgovereenkomst en ontving daarvoor een vergoeding uit het persoonsgebonden budget. Na het overlijden van zijn moeder vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat hij geen werknemer was volgens de WW, vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat de zorgovereenkomst en de feitelijke uitvoering onvoldoende aanwijzingen bevatten voor een gezagsverhouding. De moeder van appellant leed aan vergevorderde dementie, en appellant was gemachtigd haar financiële zaken te regelen, waardoor controle door de moeder op de werkzaamheden niet aannemelijk was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de gezagsverhouding mondeling was en dat het ontbreken van schriftelijke afspraken voortkwam uit culturele tradities, wat volgens hem tot indirecte discriminatie leidde. Ook stelde hij dat zijn moeder aanwijzingen gaf over de werkzaamheden en dat betaling uit het pgb een aanwijzing was voor een dienstbetrekking.
De Raad volgde dit niet en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat er geen gezagsverhouding bestond. Appellant kon niet aantonen welke afspraken er waren over werktijden, ziekteverzuim of verantwoording. Ook werd het beroep op het non-discriminatiebeginsel verworpen. De Raad bevestigde het besluit van het UWV en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen werknemer was en wijst de WW-uitkering af.