ECLI:NL:CRVB:2023:2410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toekenning IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Werkneemster viel op 28 januari 2016 uit voor haar werk als helpende zorg en welzijn. Het UWV kende haar vanaf 17 mei 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering toe wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na meerdere herbeoordelingen stelde het UWV vast dat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Appellante betoogde dat de beperkingen duurzaam waren en dat werkneemster recht had op een IVA-uitkering per 20 april 2021.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief een psychiatrische expertise. De rechtbank vond dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat verbetering van de medische situatie en functionele mogelijkheden mogelijk was, mede gezien het herstelgedrag van werkneemster en de rol van het UWV in het stimuleren van behandeling.
In hoger beroep stelde appellante dat het perspectief op verbetering theoretisch en niet concreet was en dat de motivering onvoldoende was. De Raad constateerde dat per 5 oktober 2022 een IVA-uitkering was toegekend, maar dat dit niet betekent dat die uitkering met terugwerkende kracht per 20 april 2021 moet gelden. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen op de datum in geding niet duurzaam waren, omdat verbetering mogelijk was bij adequate therapie en inzet van werkneemster.
Het hoger beroep werd verworpen, de weigering van het UWV om per 20 april 2021 een IVA-uitkering toe te kennen blijft in stand. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om per 20 april 2021 een IVA-uitkering toe te kennen wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.