ECLI:NL:CRVB:2023:2476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens handelstransacties met auto’s
In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de bijstand van appellant ingetrokken en teruggevorderd over drie maanden waarin appellant handelstransacties met auto’s heeft verricht. Het college baseerde dit op autoregistratiegegevens en het ontbreken van bewijs van appellant dat hij recht had op bijstand in die periode.
Appellant voerde aan dat het college het verbod van reformatio in peius had geschonden en dat de Raad op de stoel van de wetgever was gaan zitten door de bewijslast om te keren. De Raad oordeelde dat appellant niet in een slechtere positie was gekomen door het bezwaar en dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam en handhaafde de intrekking, terugvordering en brutering van het bedrag. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gebaseerd op vaste rechtspraak en de relevante artikelen van de Participatiewet.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand.