ECLI:NL:CRVB:2023:270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening loonsanctie wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante, werkgever van een werkneemster die zich ziekmeldde met rugklachten, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens het niet naleven van re-integratieverplichtingen. Na toekenning van een IVA-uitkering aan de werkneemster verzocht appellante het UWV om terug te komen op het loonsanctiebesluit, stellende dat er nieuwe feiten waren. Het UWV wees dit verzoek af, waarna appellante bezwaar maakte dat eveneens ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de ingebrachte medische expertise geen nieuwe feiten bevatte en dat het verschil van mening over medische beoordeling geen grond is voor herziening. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de vraag of handhaving van het besluit kennelijk onredelijk was en dat de expertise van een arts nieuwe feiten aan het licht bracht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het nader ingediende stuk buiten beschouwing moest blijven wegens strijd met de goede procesorde. De Raad bevestigde dat het UWV het besluit terecht had gehandhaafd op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren gebleken. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot herziening van de loonsanctie wordt bevestigd.