ECLI:NL:CRVB:2023:280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling maandelijkse aflossingsbedrag studieschuld en afwijzing dwangsomverzoek
Appellante heeft een studieschuld die zij moet terugbetalen. De minister stelde het maandelijkse aflossingsbedrag voor 2019 en 2020 vast op €338,48, gebaseerd op het toetsingsinkomen van 2018 conform de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Appellante voerde aan dat haar individuele omstandigheden, zoals extra schoolkosten en aanschaf van computers, in aanmerking genomen moesten worden, maar dit werd door de rechtbank en de Raad verworpen omdat de wetgever expliciet heeft gekozen voor het toetsingsinkomen als maatstaf zonder ruimte voor belangenafweging.
Daarnaast werd een verzoek tot betaling van een dwangsom afgewezen omdat appellante niet aannemelijk kon maken dat zij tijdig een bezwaarschrift had ingediend. De enkele stelling dat het bezwaarschrift per post was verzonden, zonder bewijs van verzending of ontvangstbevestiging, volstaat niet. De Raad benadrukte dat het op de verzender rust om bewijs te leveren en dat het niet aangetekend verzenden van stukken risico's met zich meebrengt.
De Raad onderschrijft de gemotiveerde overwegingen van de rechtbanken en bevestigt de aangevallen uitspraken. Er is geen sprake van rechtsongelijkheid omdat de maatstaf voor draagkracht voor alle debiteuren gelijk is. Ook is geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van het maandelijkse aflossingsbedrag en wijst het dwangsomverzoek af wegens onvoldoende bewijs van tijdige indiening bezwaarschrift.