ECLI:NL:CRVB:2014:154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen weigering WW-uitkering niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Appellant stelde dat hij tijdig bezwaar had gemaakt op 2 juli 2012, maar het UWV ontving dit bezwaarschrift niet. Pas op 9 augustus 2012 ontving het UWV een bezwaarschrift, dat buiten de termijn lag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij het bezwaarschrift tijdig had verzonden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de enkele stelling dat het bezwaarschrift ter post is gedaan onvoldoende is zonder bewijs van verzending.
Appellant kon niet overtuigend aantonen dat het bezwaarschrift daadwerkelijk was gepost, mede doordat een getuigenverklaring van zijn zoon ontbrak. Ook het feit dat andere correspondentie wel werd ontvangen, leidt niet tot het aannemen van tijdige verzending. Het beroep wordt daarom verworpen en de eerdere uitspraak bekrachtigd.
Uitkomst: Het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet aannemelijk maken van tijdige verzending binnen de bezwaartermijn.