ECLI:NL:CRVB:2023:318

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2023
Publicatiedatum
21 februari 2023
Zaaknummer
21 / 3176 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.6 Wmo 2015Art. 2.3.10 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget op grond van Wmo 2015

Appellant heeft op 10 juli 2019 een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Hengelo heeft deze aanvraag bij besluit van 20 september 2019 afgewezen, waarbij het college onder meer artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 als grondslag heeft aangevoerd. Deze afwijzing is gehandhaafd bij een beslissing op bezwaar van 15 mei 2020.

De rechtbank Overijssel heeft het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens het hoger beroep heeft appellant bevestigd dat hij uitsluitend in aanmerking wilde komen voor een pgb om diensten bij Zorgcentra Het Mozaïek te betrekken.

De Raad stelt vast dat het college eerder op 7 maart 2019 reeds toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel e, van de Wmo 2015, hetgeen een grond kan zijn om een pgb te weigeren. Daarnaast zijn niet alle door het college aangevoerde weigeringsgronden aangevochten in het hoger beroep, met name niet de grondslag in artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder b. Hierdoor kan het hoger beroep niet slagen en behoeft de Raad de overige beroepsgronden niet te behandelen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een persoonsgebonden budget en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

21 3176 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 juli 2021, 20/1228 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)
Datum uitspraak: 16 februari 2023

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Mercanoglu, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Op 21 december 2022 heeft mr. Y. Eryilmaz zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld. Zij heeft namens appellant nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2023. Namens appellant is verschenen mr. Eryilmaz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.B.H. Heil.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 10 juli 2019 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.2.
Bij besluit van 20 september 2019, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 15 mei 2020 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft daaraan onder meer het bepaalde in artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 ten grondslag gelegd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad stelt voorop dat appellant in de te beoordelen periode uitsluitend in aanmerking wilde komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb om diensten bij Zorgcentra Het Mozaïek te betrekken.
4.2.
In artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college een pgb kan weigeren indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel e, van de Wmo 2015. Vast staat dat het college bij een eerder besluit, te weten bij besluit van 7 maart 2019, aan laatstgenoemde bepaling toepassing heeft gegeven. Zoals ter zitting door de gemachtigde van appellant is bevestigd, zijn niet tegen alle door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde weigeringsgronden beroepsgronden ingediend. Meer specifiek zijn er geen beroepsgronden gericht tegen de door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde weigeringsgrond van artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015. Alleen al om deze reden kan het hoger beroep niet slagen en behoeven de beroepsgronden geen bespreking.
4.3.
De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en A. van Gijzen en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) S.S. Blok