ECLI:NL:CRVB:2023:341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens betrokkenheid bij hennepstekkerij
Appellant ontving sinds 1980 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een politieonderzoek naar een hennepstekkerij op een adres waar appellant betrokken was, stelde het Uwv vast dat appellant in de periode 2016-2017 inkomsten had uit werkzaamheden in de hennepstekkerij die niet waren gemeld.
Het Uwv besloot de WAO-uitkering over die periode niet uit te betalen en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het Uwv niet tekort was geschoten in zijn onderzoeksplicht en dat de bewijsvoering voldoende was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer dat ontlastende verklaringen niet waren meegewogen en dat de tapgesprekken slechts een deel van de periode betroffen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, oordeelde dat het Uwv voldoende feitelijke grondslag had voor zijn besluit en dat appellant onvoldoende concrete gegevens had aangeleverd om het tegendeel aannemelijk te maken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit een hennepstekkerij.