Appellante betwistte de beëindiging van haar WIA-uitkering per 2 september 2019, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De Raad vernietigde eerder een besluit wegens een gebrek in het medisch onderzoek en gaf opdracht tot herstel. Het UWV herstelde het besluit met een nieuw medisch onderzoek waarin werd gemotiveerd waarom een spreekuurcontact niet nodig was.
Appellante voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat zij niet lichamelijk was onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat haar knie- en psychische klachten waren onderschat. Ook stelde zij dat de geselecteerde functies, met name telefonisch verkoper, niet geschikt waren vanwege haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het ontbreken van een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onzorgvuldig was. De beperkingen van appellante waren juist vastgesteld en de medische informatie ondersteunde haar stelling niet. De functies wikkelaar en productiemedewerker industrie waren geschikt, maar de functie telefonisch verkoper niet vanwege taalbeheersing. Deze werd vervangen door winkelhulpkracht, wat geen hogere loonwaarde gaf.
Het gebrek in de arbeidskundige grondslag werd gepasseerd omdat appellante hierdoor niet werd benadeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard, het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.