ECLI:NL:CRVB:2023:387

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
21 / 1684 AW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot terugkomen van herplaatsingsbesluit politie wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante is in het kader van een reorganisatie bij de politie per 1 juli 2016 herplaatst als [functie 1] bij de Districtsrecherche. Dit besluit is na bezwaar en beroep door de rechtbank bevestigd en staat daarmee in rechte vast.

Appellante verzocht vervolgens om terug te komen van dit herplaatsingsbesluit en met terugwerkende kracht per 1 juli 2017 alsnog te worden geplaatst in de functie van [functie 2], zoals ook een collega was toegekend. De korpschef wees dit verzoek af omdat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangedragen zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. De Centrale Raad van Beroep toetste of het bestuursorgaan zich terecht en zorgvuldig had opgesteld en oordeelde dat het besluit niet evident onredelijk was. Jurisprudentie en het feit dat een collega in een vergelijkbare situatie wel tegemoet was gekomen, vormden geen grond om het besluit te herzien.

Het hoger beroep van appellante faalde en de Raad bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot terugkomen van het herplaatsingsbesluit afgewezen.

Uitspraak

21.1684 AW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2021, 20/330 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de korpschef van politie (korpschef)
Datum uitspraak: 23 februari 2023
Zitting heeft: L.M. Tobé, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: D. Al-Zubaidi
Namens appellante is mr. M.H. Welter verschenen. Namens de korpschef is mr. P.J.C. Garrels verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. In het kader vaan een reorganisatie bij de politie is appellante bij besluit van 10 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 maart 2017, per 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en per die datum geplaatst in de functie van [functie 1] , bij de Districtsrecherche, District [district] , eenheid [eenheid] . De rechtbank Den Haag heeft op 8 november 2017 [1] het beroep tegen het besluit van 29 maart 2017 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld. Hiermee staat het besluit van 10 juni 2016 in rechte vast.
2. Het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 10 juni 2016 en haar, net als een collega, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2017, alsnog te plaatsen in de functie van [functie 2] heeft de korpschef met het besluit van 25 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 november 2019 (bestreden besluit), afgewezen. Volgens de korpschef heeft appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar voren gebracht. De inhoud van een jegens een collega herroepen besluit is dit volgens de korpschef niet. Verder heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van het verzoek niet evident onredelijk is.
3. Bij de aangevallen uitspraak [2] heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb toetst de bestuursrechter in een zaak als deze aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is [3] .
5. Het is vaste rechtspraak [4] dat de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond vormt voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten. Ook heeft de Raad eerder overwogen dat herroeping van een jegens een individuele betrokkene genomen besluit niet meebrengt dat het bestuursorgaan ten aanzien van alle anderen die zich in een mogelijk vergelijkbare situatie hebben bevonden, gehouden is om na een beroep op artikel 4:6 Awb Pro te beoordelen of er aanleiding is om eenmaal rechtens onaantastbaar geworden besluitvorming te herzien [5] . Anders dan appellante, is de Raad van oordeel dat de situatie hier in de kern niet anders is. Appellante beroept zich er op dat de korpschef, nadat de rechtbank haar beroep ongegrond had verklaard, een collega in een in haar ogen vergelijkbare situatie, in diens nog wel lopende beroepsprocedure, alsnog tegemoet is gekomen door haar met terugwerkende kracht te plaatsen in de functie van [functie 2] . Dit gegeven doet er, wat er overigens ook van die vergelijkbaarheid zij, niet aan af dat appellante tegen de onder 1 genoemde uitspraak van de rechtbank van 8 november 2017 hoger beroep had kunnen instellen, maar hiervoor om haar moverende redenen niet heeft gekozen.
6. Uit het voorgaande volgt dat de korpschef zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld onder 3 heeft aangedragen. In wat appellante voor het overige heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
7. De conclusie is dus dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) L.M. Tobé (getekend) D. Al-Zubaidi
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep

Voetnoten

3.Zie onder meer CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
4.Zie onder meer CRvB 8 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1557.
5.CRvB 29 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3811.