Appellante ontving sinds mei 2015 bijstand en had bij de aanvraag opgegeven niet ingeschreven te staan bij de Kamer van Koophandel (KvK) en slechts één bankrekening te hebben. Later bleek uit onderzoek dat zij wel een inschrijving bij de KvK had en een ondernemersrekening bezat, welke zij niet had gemeld aan het college.
Het college stelde vast dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door deze relevante gegevens niet te verstrekken, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Na diverse verzoeken om informatie en het niet verschijnen op gesprekken, trok het college de bijstand met terugwerkende kracht in.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de inschrijving bij de KvK en het hebben van een ondernemersrekening relevante gegevens zijn die gemeld moeten worden. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij recht had op bijstand over de gehele periode, mede door het ontbreken van een administratie en bankafschriften.
Het motiveringsgebrek in het bestreden besluit werd gepasseerd omdat het niet tot benadeling van appellante leidde. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.