ECLI:NL:CRVB:2023:395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-aangegeven inkomsten
Appellant ontvangt aanvullende bijstand naast een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het college constateerde vanaf de aanvraag dat er stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening plaatsvonden en besloot deze vanaf februari 2019 als inkomsten te beschouwen. Na een blokkering van de bijstand in augustus 2019 wegens het niet aanleveren van een inkomstenformulier, vond een heronderzoek plaats waarbij diverse stortingen en bijschrijvingen van derden werden vastgesteld.
Het college trok de bijstand over de periode augustus tot en met oktober 2019 in en vorderde de kosten van bijstand terug, omdat het inkomen van appellant boven de norm lag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat het geld geleend was om rond te komen na de blokkering van de bijstand, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken.
De Raad overwoog dat stortingen en bijschrijvingen in beginsel als middelen worden beschouwd en dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Omdat appellant niet aannemelijk maakte dat het om leningen ging en er al vóór de blokkering stortingen waren, was het college bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd wegens niet-aangegeven inkomsten.