ECLI:NL:CRVB:2023:405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarbij het bezwaar van appellante werd gegrond verklaard en werd vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor de uitkering ten onrechte was toegekend.
Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht zij om een integrale vergoeding van de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan bij intrekking van beroep wegens tegemoetkoming in kosten kan worden veroordeeld.
De Raad oordeelde dat het UWV aan appellante tegemoet was gekomen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van €2.511,-. De gevraagde integrale vergoeding werd afgewezen omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die uitzonderlijk hoge kosten rechtvaardigen. Het feit dat het UWV achteraf een onjuiste beslissing nam, was onvoldoende om van onzorgvuldig handelen te spreken.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter E. Dijt en leden W.J.A.M. van Brussel en C. Karman op 2 maart 2023.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €2.511,- aan proceskosten aan appellante na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming in bezwaar.