ECLI:NL:CRVB:2023:449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering en boete wegens onjuiste woonsituatie
Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student vanaf 1 juli 2018, terwijl hij volgens onderzoek van de minister feitelijk thuiswonend was. Controleurs voerden huisbezoeken uit en namen verklaringen van buren op, waaruit bleek dat op het geregistreerde adres geen student woonde. Op basis hiervan herzag de minister de studiefinanciering en legde een bestuurlijke boete op.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de huisbezoeken en getuigenverklaringen betrouwbaar waren en appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij daadwerkelijk op het adres woonde. Ook de bezwaren tegen de hoogte van de boete werden verworpen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer dat de verklaringen van buren onvoldoende objectief waren en dat het onderzoek niet zorgvuldig was. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat het bewijs van de minister toereikend was. De boete werd niet gematigd omdat appellant de financiële draagkracht niet aannemelijk maakte. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De herziening van studiefinanciering en de opgelegde bestuurlijke boete worden bevestigd.