ECLI:NL:CRVB:2023:478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving in verschillende periodes WW- en ZW-uitkeringen. Het UWV startte een onderzoek naar mogelijke niet-gemelde werkzaamheden via een uitzendbureau. Uit het onderzoek, ondersteund door urenregistraties, verklaringen van betrokkenen en processen-verbaal van de FIOD, bleek dat appellant werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot tijdens de uitkeringsperiodes.
Het UWV herzag daarop de uitkeringen en vorderde de teveel ontvangen bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en voldoende bewijs leverde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet contant betaald was en dat de verklaringen onjuist waren, maar kon dit niet met objectief bewijs onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV aan zijn bewijslast heeft voldaan en appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door zijn werkzaamheden en inkomsten niet te melden. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit tot herziening en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting.