Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van het CAK een griffierecht van € 541,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een Marokkaanse vrouw gehuwd met een Nederlander, kreeg van het CAK een boete opgelegd omdat zij geen zorgverzekering had afgesloten binnen drie maanden na een aanmaning. Deze aanmaning was gebaseerd op het uitgangspunt dat zij verzekeringsplichtig was. Echter, op het moment van de aanmaning had de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) nog vastgesteld dat zij geen rechtmatig verblijf in Nederland had, waardoor zij niet verplicht was zich te verzekeren.
De rechtbank vernietigde het besluit van het CAK en stelde dat de aanmaning onterecht was, omdat het verblijfsrecht van betrokkene pas later, met terugwerkende kracht, werd erkend. Het CAK ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat het recht op verblijfsrecht direct uit het Unierecht voortvloeit en dat de boete terecht was opgelegd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde echter het oordeel van de rechtbank. De Raad oordeelde dat een aanmaning en boete alleen kunnen worden opgelegd indien de aanmaning terecht is verzonden. Omdat op het moment van de aanmaning het besluit van de IND nog niet was herroepen en betrokkene geen rechtmatig verblijf had, was de aanmaning onterecht. De boete werd daarom vernietigd en betrokkene hoeft deze niet te betalen.
Uitkomst: De boete van het CAK wordt vernietigd omdat de aanmaning onterecht was verzonden.