Appellante, werkzaam bij de Koninklijke Landmacht, liep tijdens een verplichte meerdaagse oefening van een gevechtscursus een kuit- en scheenbeenbreuk op na het vallen in een kuil in bosachtig terrein in het donker. De staatssecretaris van Defensie had het ongeval als bedrijfsongeval aangemerkt, stellende dat er geen sprake was van buitengewone omstandigheden of oorlogsnabootsende situaties.
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond, hoewel zij een motiveringsgebrek vaststelde, en oordeelde dat het ongeval niet onder verhoogd risico viel omdat veiligheidsmaatregelen niet waren opgeheven. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat het ongeval een dienstongeval was vanwege de bijzondere, oorlogsnabootsende omstandigheden van de oefening.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de oefening wel degelijk onder oorlogsnabootsende omstandigheden viel, waarbij de deelnemers onder verhoogd risico stonden doordat verlichting en nachtzichtapparatuur ontbraken en het terrein onbekend was. Hierdoor was het ongeval aan te merken als dienstongeval. Het eerdere besluit werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.