ECLI:NL:CRVB:2023:557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor babyuitzet tweede kind bevestigd
Appellante verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van een babyuitzet voor haar tweede kind. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en omdat het beleid dat bijzondere bijstand verleent alleen geldt voor het eerste kind. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het buitenwettelijk begunstigend beleid ten onrechte niet op haar is toegepast en dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat het beleid niet inhoudt dat elke aanvrager eenmaal bijzondere bijstand krijgt, maar dat het alleen geldt voor aanvragers van het eerste kind. Appellante kreeg een tweede kind en het beleid was daarom niet van toepassing.
Verder stelde de Raad dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden omdat de situaties van aanvragers van een eerste kind en een tweede kind niet vergelijkbaar zijn; de babyuitzet van het eerste kind wordt verondersteld aanwezig te zijn bij het tweede kind. Appellante heeft niet gesteld dat deze veronderstelling in haar situatie onjuist is.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor de babyuitzet van het tweede kind wordt bevestigd.