Appellante ontving sinds 2008 bijstand als alleenstaande en woonde sinds 2015 in een nieuwbouwwoning die zij huurde van X. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het dagelijks bestuur een onderzoek naar haar woon- en leefsituatie. Dit onderzoek bestond uit heimelijke waarnemingen, internetbronnen, bankafschriften, verbruiksgegevens en gesprekken met buurtbewoners, X en Y.
Op grond van deze bevindingen concludeerde het dagelijks bestuur dat appellante vanaf 1 januari 2016 een gezamenlijke huishouding voerde met X, zonder dit te melden, waardoor zij onterecht bijstand ontving. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad motiveert dat het hoofdverblijf van X en appellante op hetzelfde adres lag, ondanks verschillende inschrijvingen, onder meer door Instagram-posts, verklaringen van buurtbewoners, verbruiksgegevens en wisselende verklaringen van appellante en X. Ook is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg, gelet op financiële en huishoudelijke verstrengeling.
De terugvordering wordt niet inhoudelijk betwist en blijft gehandhaafd. De Raad bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 november 2019. Proceskosten worden niet toegewezen.