Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:566

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2023
Publicatiedatum
28 maart 2023
Zaaknummer
19 / 4898 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan zelfstandig belang bij verrekeningsbesluit

Appellant, werkzaam als rechtshulpverlener, maakte namens X bezwaar tegen een door het college genomen verrekeningsbesluit waarbij proceskostenvergoedingen aan X werden verrekend met openstaande vorderingen. Het college verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk omdat appellant geen zelfstandig belang heeft bij het besluit, maar slechts een afgeleid belang van X. De rechtbank Limburg vernietigde dit besluit en verklaarde appellant niet-ontvankelijk, waarna appellant hoger beroep instelde.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant inderdaad geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bij het verrekeningsbesluit. Het college heeft terecht het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het beroep tegen het besluit van 13 maart 2019 wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 25 maart 2020 ongegrond.

Daarnaast wordt het verzoek van appellant om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De termijn van vier jaar werd met bijna vier maanden overschreden, waardoor appellant een vergoeding van € 500,- wordt toegekend, te betalen door de Staat. Verder krijgt appellant een proceskostenvergoeding van € 51,80 voor gemaakte reiskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een zelfstandig belang; appellant ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

19/4898 PW, 20/1513 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 oktober 2019, 19/1177 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Stein (college)
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 28 maart 2023
Procesverloop
1. Tot nu toe is de procedure als volgt verlopen.
1.1. Het college heeft met een besluit van 7 november 2018 (verrekeningsbesluit) aan X toegekende proceskostenvergoedingen verrekend met openstaande vorderingen op X.
1.2. Tegen dit besluit heeft appellant, als rechtshulpverlener van X, namens X en op eigen titel bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar van X ongegrond verklaard en het verrekeningsbesluit gehandhaafd met een besluit van 13 maart 2019 (bestreden besluit 1).
1.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gegrond verklaard. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd en appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit van 7 november 2018.
1.4. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Het college heeft met een besluit van 25 maart 2020 beslist op het bezwaar van appellant (bestreden besluit 2). Het college heeft het bezwaar van appellant, gericht tegen het besluit van 7 november 2018, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.6. Appellant heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2023. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.E. Day.

Overwegingen

Samenvatting
2. In deze uitspraak beoordeelt de Raad of de rechtbank het beroep terecht gegrond heeft verklaard en vervolgens terecht het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk. De Raad komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Verder beoordeelt de Raad of het college met bestreden besluit 2 het bezwaar van appellant tegen het verrekeningsbesluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad oordeelt dat dit het geval is. Ook beoordeelt de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad komt tot het oordeel dat dit verzoek moet worden toegewezen. Deze oordelen berusten op de volgende overwegingen.
Achtergrond
2.1.
Appellant is werkzaam als rechtshulpverlener. Appellant heeft namens X diverse procedures gevoerd. Aan X zijn in deze procedures proceskostenvergoedingen toegekend. Het college heeft met het besluit van 7 november 2018 proceskostenvergoedingen verrekend met openstaande vorderingen van X. Appellant heeft namens X, maar ook op eigen titel, bezwaar gemaakt. Het college heeft met het bestreden besluit het verrekeningsbesluit gehandhaafd.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen belanghebbende is bij het verrekeningsbesluit van zijn cliënt. Het college had het bezwaar niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
De beroepsgronden en het oordeel van de Raad daarover
4.1.
Appellant voert aan dat het college met bestreden besluit 1 geen beslissing heeft genomen op het bezwaar dat hij heeft ingediend. In bestreden besluit 1 is namelijk alleen beslist op het bezwaar van X, maar niet op het bezwaar van appellant. De aangevallen uitspraak kan om deze reden geen standhouden.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Zoals het college heeft onderkend, heeft het college met bestreden besluit 1 niet beslist op het bezwaar van appellant. Daarom is appellant geen belanghebbende bij dat besluit.
Het besluit van 25 maart 2020
4.3.
Het college heeft op 25 maart 2020 alsnog op het bezwaar van appellant beslist. Zoals ter zitting is besproken met partijen, zal de Raad dit besluit bij de beoordeling van het hoger beroep betrekken.
4.4.
Met het besluit van 25 maart 2020 heeft het college het bezwaar van appellant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat appellant geen zelfstandig belang heeft bij het verrekeningsbesluit, maar uitsluitend een van X afgeleid belang. Hij is dus geen belanghebbende bij dat besluit in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.5.
Appellant heeft aangevoerd dat hij wel een zelfstandig belang heeft bij het verrekeningsbesluit. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat hij als rechtshulpverlener nadeel ondervindt van de handelwijze van het college. Het college verrekent altijd en maakt daarbij geen belangenafweging.
4.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit een eerdere uitspraak in een geschil tussen dezelfde partijen [1] , en ook uit de uitspraak van heden in de zaak 20/3870 PW, volgt dat appellant geen belanghebbende is bij verrekeningsbesluiten als dat van 7 november 2018.
Gevolgen
5. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak slaagt. De aangevallen uitspraak moet dus worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaren. Ook zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.
6. Appellant krijgt een vergoeding van de reiskosten die hij voor de procedure in hoger beroep heeft moeten maken. Deze vergoeding wordt vastgesteld op € 51,80. Van andere, voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Schadevergoeding
7. Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt toegewezen. Op 4 december 2018 heeft het college het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 7 november 2018 ontvangen. Daarmee is de redelijke termijn voor appellant aangevangen. Op de datum van deze uitspraak is de termijn van vier jaar met bijna vier maanden overschreden in de rechterlijke fase. Aan appellant wordt een schadevergoeding toegekend van € 500,-, te betalen door de Staat.
8. Appellant heeft zelf het verzoek om schadevergoeding ingediend en zich niet laten bijstaan door een rechtshulpverlener. Daarom krijgt appellant geen proceskostenvergoeding voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De Centrale Raad van Beroep:
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 13 maart 2019 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 25 maart 2020 ongegrond;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 51,80;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs als voorzitter en W.F. Claessens en C.E.M. Marsé als leden, in tegenwoordigheid van L.G. Cornelissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2023.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) L.G. Cornelissen

Voetnoten

1.Uitspraak van 17 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:82.