ECLI:NL:CRVB:2023:574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontvangt sinds 2007 een WIA-uitkering. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant werkzaamheden verrichtte in het tegelzetbedrijf van zijn zoon, heeft het UWV een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek, inclusief waarnemingen en een hoorzitting, concludeerde dat appellant inderdaad werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden.
Het UWV herzag daarop de uitkering over de periode van 1 december 2018 tot en met 31 mei 2019 en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het UWV verklaarde deze ongegrond omdat de werkzaamheden niet als vrijwillig of therapeutisch konden worden aangemerkt en een loonwaarde vertegenwoordigen.
De rechtbank bevestigde het standpunt van het UWV en oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij loonwaardeerbare werkzaamheden verrichtte. De boete werd als proportioneel beoordeeld. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde de uitspraak zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering en de oplegging van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.