ECLI:NL:CRVB:2023:584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de sociale recherche een onderzoek naar het hoofdverblijf van appellant, waarbij onder meer het waterverbruik werd geanalyseerd. Het college besloot de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en de kosten terug te vorderen wegens het ontbreken van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres.
Appellant voerde aan dat de watermeter defect was en dat hij in een camper woonde die bij het uitkeringsadres stond, waardoor het waterverbruik laag was. De Raad oordeelde dat de watermeter pas na de te beoordelen periodes defect raakte en dat het extreem lage waterverbruik de vooronderstelling rechtvaardigt dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Appellant heeft deze vooronderstelling onvoldoende weerlegd.
Verder werd vastgesteld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het niet melden van zijn werkelijke hoofdverblijf. Ook de door appellant aangevoerde dringende redenen tegen terugvordering werden niet aannemelijk gemaakt. De opgelegde boete wegens schending van de inlichtingenverplichting werd als evenredig beoordeeld.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit, waarbij appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking, terugvordering en boete blijven in stand.