Appellant heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd wegens een licht verstandelijke beperking en psychische klachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft deze aanvragen telkens afgewezen omdat appellant arbeidsvermogen zou hebben. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen het laatste besluit ongegrond verklaard, waarbij werd vastgesteld dat appellant op de datum van de aanvraag niet beschikte over arbeidsvermogen, maar dat dit niet duurzaam ontbrak.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn opname sinds maart 2021 in een GGZ-kliniek voor onbepaalde tijd en de aard van zijn problematiek duiden op duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. De Raad heeft overwogen dat uit de opname en het behandelplan niet kan worden afgeleid dat het arbeidsvermogen zich niet meer zal kunnen ontwikkelen. De Raad onderschrijft het oordeel van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat er een reëel perspectief is op verbetering en ontwikkeling van arbeidsvermogen.
De Raad concludeert dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, en ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.