Uitspraak
22.681 PW-PV
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar echtgenoot ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet. Op 8 oktober 2020 diende appellante een verzoek in om ontheffing van arbeidsverplichtingen wegens beperkingen, maar gaf geen nadere toelichting of bewijs. Het college wees het verzoek af omdat het onvoldoende was onderbouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de bewijslast voor ontheffing bij appellante ligt, die onvoldoende bewijs leverde van haar beperkingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het college een medisch adviseur had moeten inschakelen en dat ook sociale redenen tot ontheffing konden leiden. De Raad oordeelde dat deze gronden niet nieuw zijn en dat de rechtbank hier gemotiveerd op heeft beslist. Appellante gaf geen redenen waarom de eerdere motivering onjuist zou zijn. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en laat het collegebesluit van 12 juli 2021 in stand.
Partijen spraken ter zitting af om in gesprek te gaan over de schuldenproblematiek van appellante. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het verzoek om ontheffing van arbeidsverplichtingen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.