ECLI:NL:CRVB:2023:674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies volgens Wet WIA
Appellant, voormalig chauffeur/bezorger, meldde zich ziek na een auto-ongeval in 2017 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn rugklachten, concentratieproblemen en andere gezondheidsklachten onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 6 januari 2021 en dat de geselecteerde functies passend waren, mede omdat het zitten in deze functies binnen de toegestane grenzen viel.
De Raad stelde vast dat de verslechtering van de gezondheidstoestand na 17 februari 2020 niet relevant was voor de beoordeling. De medische gegevens ondersteunden geen aanvullende beperkingen ten aanzien van de rugklachten. De functies die het UWV selecteerde waren actueel en geschikt, en appellant had deze niet voldoende onderbouwd bestreden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.