Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW) en woont vanaf augustus 2017 op adres X, waar A hoofdbewoner is. Het dagelijks bestuur past de kostendelersnorm toe, omdat zij van oordeel zijn dat er geen zakelijke huurrelatie bestaat tussen appellant en A. Appellant betwist dit en stelt dat er vanaf augustus 2017 een huurovereenkomst bestond en dat hij huur betaalde.
De Raad beoordeelt het hoger beroep tegen het besluit van het dagelijks bestuur en de uitspraak van de rechtbank die het besluit in stand hield. Voor de periode tot augustus 2019 ontbreekt een schriftelijke huurovereenkomst en heeft appellant geen betalingsbewijzen overgelegd. Voor de periode vanaf augustus 2019 is wel een huurovereenkomst opgesteld en zijn bankafschriften overgelegd, maar het gebruik van de woning wijkt sterk af van de overeenkomst, onder meer doordat appellant vrijwel de gehele woning gebruikt en zijn zoontje een kamer heeft.
De Raad concludeert dat er geen zakelijke relatie bestond en dat de kostendelersnorm terecht is toegepast. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.