Appellant was sinds oktober 2018 in dienst als allround productiemedewerker en meldde zich ziek in maart 2019 na een bedrijfsongeval. In januari 2020 werd hij op staande voet ontslagen wegens het niet naleven van re-integratieverplichtingen en het verrichten van nevenwerkzaamheden. Het UWV weigerde een voorschot op de Ziektewet-uitkering vanwege onduidelijkheid over loonbetaling en later definitief wegens benadelingshandeling.
De kantonrechter wees het verzoek tot vernietiging van het ontslag af, maar het gerechtshof vernietigde dit oordeel deels en kende een billijke vergoeding toe wegens onterecht ontslag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de weigering van de ZW-uitkering ongegrond, stellende dat het UWV voldoende onderzoek had gedaan en dat het verrichten van werkzaamheden bij een andere werkgever tijdens ziekte leidde tot een onherstelbare vertrouwensbreuk.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende eigen onderzoek had verricht en dat het niet melden van hand- en spandiensten geen onherstelbare vertrouwensbreuk rechtvaardigde, mede gezien het opzegverbod tijdens ziekte. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof dat de gedragingen van appellant een benadelingshandeling vormden, waardoor hij zijn recht op loon en ZW-uitkering had prijsgegeven.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder aanleiding voor proceskostenveroordeling.