Uitspraak
22.2299 WIA
mr. J.W. van Schaik.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als vertegenwoordiger van levensmiddelen, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant zijn maatgevende arbeid kon verrichten en weigerde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was voor aanvullend onderzoek. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek, inclusief een beeldbelgesprek met een verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelijkgesteld kon worden aan een spreekuur. De Raad vond geen nieuwe medische gegevens die het oordeel van het UWV konden weerleggen. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn maatgevende arbeid. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid.