Appellanten ontvingen bijstand sinds 2009, maar het dagelijks bestuur trok deze in per 11 mei 2017 vanwege te veel vermogen, onder meer door de aanschaf van een camper. Appellanten vroegen opnieuw bijstand aan, maar het dagelijks bestuur weigerde deze omdat onvoldoende duidelijk was hoe zij in hun levensonderhoud voorzagen vanaf 1 juli 2017. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigde dit en beval nader onderzoek naar het recht op bijstand vanaf 10 juni 2017.
Het dagelijks bestuur stelde vervolgens dat het recht op bijstand vanaf die datum niet kon worden vastgesteld, omdat appellanten onvoldoende bankafschriften overlegden en geen inzicht gaven in hun financiële situatie. Appellanten leverden enkele stukken aan, maar niet de gevraagde bankafschriften over de cruciale periode. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht het recht op bijstand vanaf 10 juni 2017 niet kon vaststellen.
Hoewel het bestreden besluit niet volledig gemotiveerd was voor de periode 1 juli tot 8 september 2017, passeerde de Raad dit gebrek omdat het dagelijks bestuur aannemelijk maakte dat appellanten niet konden aantonen hoe zij in die periode in hun levensonderhoud voorzagen. De stelling dat appellanten leefden van de verkoopopbrengst van de camper en hulp van familie was onvoldoende onderbouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.