Appellant, bekend met psychische, psychogeriatrische en somatische aandoeningen, diende op 20 november 2018 een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag aanvankelijk af, maar wijzigde dit bij besluit van 15 mei 2019 en kende een indicatie toe voor het zorgprofiel VV Beschermd wonen met intensieve dementiezorg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het zorgprofiel VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, beter passend zou zijn. De Raad oordeelde echter dat het hoger beroep zich niet uitstrekte tot een later besluit van het CIZ van 21 april 2022 en dat de beschikbare medische gegevens onvoldoende waren om het door appellant gewenste zorgprofiel toe te kennen. Appellant weigerde bovendien medewerking aan het opvragen van aanvullende medische informatie.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat het zorgprofiel VV Beschermd wonen met intensieve dementiezorg het best passend was. Tevens werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot betaling van proceskosten van € 418,50. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 10 mei 2023.