Appellante ontving een WIA-uitkering en toeslag, die na onderzoek door het UWV werden ingetrokken en teruggevorderd wegens vermoedens van fraude en schending van de inlichtingenverplichting.
Het UWV startte een onderzoek naar de verblijfplaats en leefsituatie van appellante, waarbij bleek dat zij niet meer in Nederland woonde en onjuiste adresgegevens had verstrekt. Appellante verscheen niet op afspraken en leverde onvoldoende bewijs om haar recht op toeslag aan te tonen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat de toeslag terecht is ingetrokken en teruggevorderd.
Appellante kon geen objectief verifieerbaar tegenbewijs leveren, en de Raad laat de vraag naar de rechtmatigheid van de bankgegevens als bewijs onbesproken omdat ook zonder deze gegevens voldoende grondslag bestaat voor het besluit.
De proceskosten worden niet toegewezen en de uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 april 2023.