Appellant ontving bijstand sinds november 2014 en werd onderzocht naar aanleiding van een aanvraag van zijn ex-vriendin. Uit bankafschriften bleek dat appellant regelmatig contante stortingen ontving, waaronder een grote bijschrijving van zijn broer. Appellant verklaarde dat deze bedragen deels leningen waren en deels winsten uit het casino, maar maakte geen melding van de gokinkomsten aan het college.
Het college besloot de bijstand over de periode april 2016 tot april 2018, met uitzondering van december 2016, te herzien en terug te vorderen vanwege schending van de inlichtingenverplichting. Tevens werd een boete opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het niet melden van de gokwinsten en de bijschrijving van zijn broer. De gestorte bedragen worden als inkomsten aangemerkt, ook wanneer zij leningen betreffen, omdat appellant vrijelijk over het geld kon beschikken.
De Raad constateert dat de procedure de redelijke termijn van vier maanden overschrijdt met bijna zeven maanden, wat aanleiding geeft tot een vermindering van de boete met 10%. Daarom vernietigt de Raad het besluit voor zover het de boete betreft en stelt de boete vast op € 1.062,-. De intrekking en terugvordering van de bijstand blijft in stand.
De Raad wijst proceskosten af en verklaart het beroep gegrond voor het deel van de boete.