ECLI:NL:CRVB:2023:960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-dagloon en afwijzing schadevergoeding
Appellant, sinds 1995 in dienst bij Regionale Thuiszorg, viel in 1995 uit wegens ziekte en ontving vanaf november 1996 een WAO-uitkering met een vastgesteld dagloon inclusief onregelmatigheidstoeslag (ORT). In 2017 informeerde het pensioenfonds appellant over een nabetaling wegens een onjuiste berekening van het arbeidsongeschiktheidspensioen, waarbij een te laag bedrag aan ORT was gehanteerd. Appellant verzocht in 2018 het UWV om herziening van het dagloon, stellende dat het te laag was vastgesteld.
Het UWV weigerde terug te komen op het besluit uit 1996, stellende dat het dagloon in 1997 al was aangepast vanwege de ORT en dat de benodigde informatie niet meer beschikbaar was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het dagloon onjuist was vastgesteld en verwierp de stelling dat het UWV gehouden was de documenten langer te bewaren.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, stellende dat het UWV het dossier ten onrechte niet had bewaard. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat het dagloon reeds in 1997 was aangepast en dat het gebrek aan archivering niet leidde tot benadeling van appellant. De schending van de motiveringsplicht werd gepasseerd, het bestreden besluit bleef in stand en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van het WAO-dagloon en schadevergoeding wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.