ECLI:NL:CRVB:2024:1009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving vanaf 1 januari 2021 een WGA-vervolguitkering. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat zij 17,76% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 17 april 2022. Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij aanvullingen op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werden aangebracht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep achtte haar geschikt voor haar eigen werk als graveuse en voor andere functies, waardoor geen sprake was van arbeidsongeschiktheid boven 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een deskundige af.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten, waaronder schending van het vertrouwensbeginsel en onzorgvuldig medisch onderzoek. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad vond geen aanleiding om een deskundige in te schakelen, omdat er geen twijfel bestond over de medische beoordeling.
De Raad oordeelde ook dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar beperkingen op de datum van beëindiging waren onderschat en dat de algemene richtlijnen voor fibromyalgie niet bepalend waren voor haar individuele situatie. Omdat zij geschikt werd geacht voor haar laatst verrichte arbeid, was zij niet arbeidsongeschikt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de WGA-vervolguitkering per 17 april 2022 wordt bevestigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.