Betrokkene was werkzaam als medewerker klantenservice en meldde zich in 2011 ziek wegens psychische klachten. Na een initiële toekenning van een WIA-uitkering op basis van een FML met urenbeperking, stelde het UWV later dat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen en beëindigde de uitkering. Betrokkene voerde aan dat een verzekeringsarts tijdens een hoorzitting had toegezegd dat de oude beperkingen uit de FML van 2013 weer zouden gelden, wat door de rechtbank werd bevestigd als een beroep op het vertrouwensbeginsel.
Het UWV stelde dat deze toezegging niet tot gerechtvaardigde verwachtingen leidde, omdat het arbeidskundig onderzoek nog niet was afgerond en omstandigheden waren gewijzigd. De Raad bevestigde echter dat de toezegging uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk was en dat betrokkene daarop mocht vertrouwen. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van betrokkene zwaarder woog dan het algemeen belang van het UWV.
In een tweede procedure werd de toekenning van een WGA-vervolguitkering per 13 maart 2016 aan betrokkene bevestigd. De Raad volgde het oordeel van een onafhankelijke deskundige dat de FML van 2016 een juist beeld gaf van de beperkingen en dat betrokkene de geselecteerde functies kon verrichten. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd deels toegewezen, waarbij het UWV en de Staat werden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten.