ECLI:NL:CRVB:2024:1013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering ondanks toegenomen beperkingen bevestigd
Appellant ontving sinds oktober 2019 een Ziektewet-uitkering en werd meerdere malen opnieuw ziekgemeld met rug- en psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige onderzoeken stelde het UWV vast dat appellant geschikt was voor bepaalde functies, waarop de uitkering werd beëindigd.
Appellant voerde bezwaar en beroep aan tegen de beëindiging, stellende dat hij door zijn beperkingen niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen overtuigend had gemotiveerd.
In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel. De Raad stelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant ondanks toegenomen beperkingen geschikt is voor ten minste drie functies met voldoende arbeidsplaatsen, conform het toetsingskader van artikel 19 ZW Pro en vaste jurisprudentie.
De Raad wijst de stellingen van appellant over onvoldoende onderzoek naar slaapproblematiek, noodzaak van urenbeperking en onderschatting van degeneratieve afwijkingen af. Nieuwe medische stukken leiden niet tot ander oordeel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit bevestigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewet-uitkering per 20 juli 2022 terecht heeft beëindigd.