Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1031

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 mei 2024
Publicatiedatum
30 mei 2024
Zaaknummer
21/1830 PW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking van behandelend rechter in hoger beroep sociale zekerheidsrecht

Verzoeker heeft in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van de meervoudige kamer, vanwege vermeende vooringenomenheid uit kritische en suggestieve vragen over het bezit van een auto.

De Raad heeft het wrakingsverzoek beoordeeld aan de hand van de Algemene wet bestuursrecht en de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechtelijke rechtscolleges 2022. Uit het proces-verbaal en de omstandigheden rondom de zitting blijkt geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid van de behandelend rechter.

De Raad benadrukt dat het stellen van kritische vragen tot de taak van de rechter behoort en dat dit op zichzelf geen reden vormt voor wraking. Het verzoek om wraking is daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van de behandelend rechter is afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

21/1830 PW-W, 21/1853 PW-W
Datum beslissing: 30 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 april 2021, 19/3074, in een geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten.
Tijdens het onderzoek ter zitting op 12 maart 2024 heeft verzoeker verzocht om wraking van O.L.H.W.I. Korte, voorzitter van de meervoudige kamer (behandelend rechter). Hierna is het onderzoek ter zitting geschorst.
De behandelend rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Het verzoek om wraking is op 16 mei 2024 ter zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat. De behandelend rechter heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

OVERWEGINGEN

1. De behandeling van wrakingsverzoeken vindt plaats met inachtneming van de regels uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechtelijke rechtscolleges 2022 (Regeling). De voor dit verzoek relevante regels zijn te vinden in de bijlage bij deze beslissing. De bijlage maakt deel uit van de beslissing.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat uit de vragen die de behandelend rechter heeft gesteld over het bezit van een auto blijkt dat sprake is van vooringenomenheid. Volgens verzoeker was de vraagstelling dusdanig kritisch en suggestief dat daaruit, in het licht van de overige omstandigheden rondom de behandeling van zijn zaak, blijkt dat de behandelend rechter niet objectief naar zijn zaak kijkt.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. [1]
3.2.
In het proces-verbaal van de zitting van 12 maart 2024 en de door verzoeker geschetste wijze van vraagstelling en zijn kritiek daarop, ziet de Raad geen aanwijzing voor het oordeel dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid van de behandelend rechter. Hiervoor is van belang dat het bepalen van het zittingsverloop, de voortgang van de zitting en de orde in de zittingszaal tot de taakuitoefening van de rechter behoren. [2] Dat geldt ook voor het stellen van (kritische) vragen. Uit het feit dat kritische vragen aan verzoeker zijn gesteld kan in dit geval geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid, ook niet in het licht van de overige door verzoeker genoemde omstandigheden rondom de behandeling van zijn zaak.
3.3.
Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E. Dijt als voorzitter en T. Dompeling en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sheerzad als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2024.
(getekend) E. Dijt
(getekend) M. Sheerzad

Bijlage: voor deze beslissing belangrijke wettelijke regels

Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht

Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Voetnoten

1.Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141.
2.Zie bijvoorbeeld de beslissing van 19 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3667.