Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland en een verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak van de Raad. Het UWV heeft een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee het volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante door met terugwerkende kracht een IVA-uitkering toe te kennen per 15 februari 2013.
De Raad oordeelt dat appellante geen voldoende procesbelang heeft bij het herzieningsverzoek, omdat het resultaat reeds is bereikt met de gewijzigde beslissing. Het verzoek wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Wel wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante, waarbij een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. Daarnaast wordt het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn deels toegewezen.
De procedure heeft ruim zeven jaar geduurd, waarbij de redelijke termijn met 44 maanden is overschreden. De Raad verdeelt de schadevergoeding tussen het UWV en de Staat, waarbij het UWV een relatief klein deel vergoedt. De Raad wijst ook het verzoek tot vergoeding van schade wegens vermogensbelasting af wegens onvoldoende onderbouwing. Ten slotte wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.