ECLI:NL:CRVB:2024:1067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens langdurig verblijf in Indonesië
Appellant ontving vanaf 11 juni 2012 bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op het adres van zijn zus in Nederland. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant al jaren in Indonesië woonde, startte het college een onderzoek. Dit onderzoek bestond uit meerdere gesprekken, analyse van bankafschriften, vluchtgegevens en het gebruik van de pinpas.
De onderzoeksresultaten toonden aan dat appellant van de circa 98 maanden in de onderzoeksperiode ongeveer 87 maanden in Indonesië verbleef. Appellant verklaarde dat hij geen eigen woning in Nederland had en dat zijn geld via familieleden werd beheerd om sporen van verblijf in het buitenland te vermijden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit tot intrekking en terugvordering.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat het college voldoende feitelijke grondslag heeft voor het oordeel dat appellant niet in Nederland woonde. De intrekking van de bijstand en de terugvordering blijven daarom in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering blijven in stand omdat appellant hoofdzakelijk in Indonesië verbleef.