ECLI:NL:CRVB:2024:1068
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging persoonsgebonden budget wegens schending pgb-verplichtingen en niet voldoen aan voorwaarden
Appellant, geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor de jaren 2015 tot en met 2018. Het zorgkantoor beëindigde het pgb per 1 oktober 2018 op grond van onderzoek waaruit bleek dat de zorgaanbieder meer uren had gedeclareerd dan daadwerkelijk geleverd, en dat de gewaarborgde hulp de facturen niet controleerde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beëindiging ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat slechts marginale onregelmatigheden aan de orde waren en dat beëindiging een onevenredige uitkomst was. Het zorgkantoor stelde dat het besluit zorgvuldig was genomen en dat appellant een overgangstermijn en alternatieve zorg was geboden.
De Raad oordeelde dat het zorgkantoor terecht het pgb had herzien op grond van schending van verplichtingen door appellant en zijn gewaarborgde hulp. De Raad vond dat het zorgkantoor voldoende bewijs had geleverd en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt. De beëindiging was niet onevenredig, mede door de overgangstermijn en de mogelijkheid tot zorg in natura.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het pgb wegens schending van verplichtingen en niet voldoen aan voorwaarden.