Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen vanwege een autismespectrumstoornis (ASS). Het UWV weigerde de uitkering na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak.
De rechtbank Limburg oordeelde dat appellant vanaf 1 juli 2014 geen basale werknemersvaardigheden had, maar dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich konden ontwikkelen. Dit oordeel werd gebaseerd op medische rapporten, behandelplannen en het perspectief op verbetering door psycho-educatie en cognitieve gedragstherapie.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, stellende dat zijn sociale angst en beperkingen hem verhinderen duurzaam te werken. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, overwegende dat duurzaamheid inhoudt dat geen perspectief op verbetering bestaat. Het UWV had voldoende gemotiveerd dat dit niet het geval was in de periode tot 17 februari 2020.
De Raad benadrukte dat de beoordeling van duurzaamheid een inschatting is van de kansen op verbetering op het moment van de aanvraag, waarbij latere ontwikkelingen niet doorslaggevend zijn. De Raad bevestigde dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was en dat appellant daarom niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand.