ECLI:NL:CRVB:2024:1116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet voltooide wachttijd
Appellante vroeg een WIA-uitkering aan met ingang van 1 september 2013, maar het UWV wees deze af omdat zij niet verzekerd was per die datum en omdat zij de wachttijd van 104 weken niet had volbracht. Appellante was sinds 17 december 2013 ziekgemeld en hersteld verklaard per 20 januari 2014, waardoor de wachttijd niet aaneengesloten was. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat appellante onvoldoende objectieve medische gegevens had overgelegd om de wachttijd aan te tonen.
In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en verzocht zij om benoeming van een onafhankelijk deskundige. De Raad oordeelde dat het UWV terecht een zelfstandige beoordeling had gemaakt op basis van alle beschikbare medische gegevens en dat een nieuw spreekuurcontact geen toegevoegde waarde had. De aanvullende stukken van appellante betroffen een verslechterde situatie in 2024 en algemene informatie, die niet relevant waren voor de beoordeling van de belastbaarheid in de periode 2013-2015.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en concludeerde dat appellante de wachttijd niet had volbracht en dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd. Er was geen reden voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante de wachttijd niet heeft volbracht en wijst het hoger beroep af, waardoor de WIA-uitkering wordt geweigerd.