Uitspraak
18.4701 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade in de vorm van wettelijke rente af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft op 19 april 2017 een WIA-uitkering aangevraagd met als grondslag arbeidsongeschiktheid die in 2006 zou zijn ingetreden. Deze aanvraag werd door het UWV afgewezen wegens laattijdigheid en het ontbreken van medisch objectiveerbare bewijsstukken die aantonen dat appellant de vereiste wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft doorlopen.
De rechtbank Limburg oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren om aan de beoordeling te twijfelen. Appellant bracht diverse medische stukken in, waaronder rapporten van een bedrijfsarts en een verzekeringsarts, maar deze bevatten geen feiten die de arbeidsongeschiktheid in de verzekerde periode voldoende onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en voegt toe dat de medische informatie uit de relevante periode ontbreekt en dat de beperkingen die appellant ondervond pas later zijn vastgesteld. Er is geen reden om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.