Betrokkene diende op 16 december 2019 een aanvraag in voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees de aanvraag op 24 februari 2020 af, gebaseerd op medische adviezen van de GGD waarin werd geconcludeerd dat betrokkene zelfstandig meer dan 100 meter kon lopen. De rechtbank vernietigde dit besluit echter omdat de medische adviezen onvoldoende inzicht boden in de onderbouwing van deze conclusie en het college zijn vergewisplicht niet had nageleefd.
Het college stelde hoger beroep in en nam op 30 november 2022 een nieuw besluit, wederom afwijzend, met verwijzing naar een nieuw advies van de GGD. Betrokkene stelde zich tegen dit besluit op het standpunt dat ook dit advies onvoldoende onderbouwd was. De Raad oordeelde dat de adviezen van de GGD onvoldoende duidelijkheid boden over de onderzoeken en de medische conclusies, waardoor het college wederom niet aan zijn vergewisplicht had voldaan.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het tweede besluit gegrond en vernietigde dit besluit. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen op basis van een deugdelijk medisch advies. Tevens werd betrokkene een proceskostenvergoeding toegekend en het college griffierecht opgelegd.