In deze zaak staat de vaststelling van het Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) centraal, dat nodig is voor de berekening van de draagkracht van appellante bij de aflossing van haar studieschuld. De rechtbank had geoordeeld dat de inspecteur van de Belastingdienst bevoegd is het NiNbi vast te stellen en dat de minister daarop mocht vertrouwen. De Centrale Raad van Beroep komt echter tot het oordeel dat de inspecteur niet bevoegd is het NiNbi vast te stellen in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
De Raad stelt dat het ontbreken van een specifieke wettelijke regeling die de inspecteur deze bevoegdheid geeft, betekent dat de minister zelf verantwoordelijk is voor de vaststelling van het NiNbi. De minister kan daarbij niet volstaan met een benadering via de inspecteur, omdat die niet bevoegd is. De Raad benadrukt dat het op de weg van de wetgever ligt om deze omissie te herstellen.
In de onderhavige zaak heeft appellante verklaard geen aftrekposten te hebben die het verzamelinkomen naar Nederlandse maatstaven beïnvloeden. Hierdoor is het Belgische bruto-inkomen gelijk aan het NiNbi, waardoor de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar handhaaft de rechtsgevolgen en bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.