Uitspraak
PROCESVERLOOP
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 april 2024. Namens appellante is mr. drs. E.G.M. Huisman, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Stolwijk en S. Slappendel.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 1998 werkzaam bij de gemeente en raakte verwikkeld in een conflict met haar leidinggevende, mede door een complexe privésituatie rondom haar dochter en een ondertoezichtstelling. Na een klacht over integriteit en een onderzoek waarbij geen misstand werd vastgesteld, ontstonden spanningen die leidden tot een ernstig verstoorde arbeidsrelatie. Het college verleende appellante eervol ontslag op andere gronden met een beperkte vergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college geen overwegend aandeel had in het ontstaan van de situatie en dat ziekte het ontslag niet in de weg stond. Appellante stelde hoger beroep in met onder meer het standpunt dat zij onterecht was ontslagen en recht had op een aanvullende vergoeding (de “plus”).
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, erkende de moeilijke situatie maar stelde dat appellante zelf de verhoudingen verstoorde door het blijven aanvoeren van privézaken en het weigeren van gesprekken. Het college had geen overwegend aandeel in het ontstaan van de situatie, waardoor geen aanvullende vergoeding toekwam. Het verzoek om vaststelling van arbeidsongeschiktheid werd niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep werd afgewezen en het ontslag bleef in stand.
Uitkomst: Het ontslag wordt bevestigd en de aanvullende vergoeding wordt geweigerd omdat het college geen overwegend aandeel had in de situatie.