ECLI:NL:CRVB:2024:1157

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2024
Publicatiedatum
18 juni 2024
Zaaknummer
22/275 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 PWArt. 47c PWArt. 18 PWArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AIO-aanvulling bij verblijf echtgenote in buitenland zonder bijzondere omstandigheden

Betrokkene ontvangt een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) op grond van de Participatiewet. De echtgenote verbleef van 15 juni tot 11 september 2019 in Turkije, langer dan de toegestane vier weken. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag daarop de AIO-aanvulling en paste deze aan naar de norm voor een gehuwde met een niet-rechthebbende partner.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde dit besluit omdat de Svb niet had onderzocht of er bijzondere omstandigheden waren die afstemming van de AIO rechtvaardigden, waardoor betrokkene geconfronteerd werd met een inkomensterugval. De rechtbank gaf de Svb opdracht een nieuw besluit te nemen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die afstemming vereisen, omdat het verblijf van de echtgenote in het buitenland een bewuste keuze was en binnen haar mogelijkheden lag om terug te keren. De Raad stelt dat de Svb dit standpunt niet in het besluit had gemotiveerd, wat een motiveringsgebrek oplevert, maar dat het beroep van de Svb slaagt omdat dit standpunt in hoger beroep is toegelicht.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die de Svb opdroeg een nieuw besluit te nemen en bevestigt dat de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit in stand blijven. Betrokkene krijgt geen proceskostenvergoeding omdat de Svb in hoger beroep in overwegende mate in het gelijk is gesteld.

Uitkomst: De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand; de AIO-aanvulling wordt niet afgestemd.

Uitspraak

22/275 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 december 2021, 21/1268 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 4 juni 2024

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of de Svb zich op het standpunt kan stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om de aanvullende inkomensvoorziening ouderen af te stemmen, zonder onderzoek te doen naar de financiële situatie van betrokkene. De Raad komt tot het oordeel dat het in deze specifieke situatie niet noodzakelijk was om daarnaar onderzoek te doen, maar dat de Svb wel had moeten motiveren waarom ze dat niet hebben gedaan.

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. M.I. Bal, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2024. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen en mr. R. de Regt. Namens betrokkene is mr. Bal verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene ontvangt een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Op 27 december 2019 heeft betrokkene aan de Svb een door hem en zijn echtgenote ingevuld vragenformulier ‘Verblijf en vermogen buiten Nederland’ teruggestuurd. Zij hebben, voor zover hier van belang, op dit formulier vermeld dat de echtgenote van 15 juni 2019 tot en met 11 september 2019 in Turkije heeft verbleven.
1.2.
De Svb heeft naar aanleiding van deze informatie bij besluit van 2 januari 2020, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 4 februari 2021 (bestreden besluit), de AIOaanvulling van betrokkene over de periode van juli 2019 tot en met september 2019 met toepassing van artikel 24 van Pro de PW herzien naar de norm voor een gehuwde met een nietrechthebbende partner. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat de echtgenote van betrokkene sinds 14 juli 2019 langer dan de toegestane periode van vier weken buiten Nederland heeft verbleven en zij daarom vanaf dat moment tot aan haar terugkeer in Nederland geen recht had op AIO-aanvulling.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene geconfronteerd is met een inkomstenterugval tot onder de norm van een alleenstaande, zonder dat de feitelijke situatie is gewijzigd en zonder dat hij de kosten in de te beoordelen periode met zijn echtgenote kon delen. De Svb had zelfstandig moeten beoordelen of de individuele situatie van betrokkene noopte tot afstemming op grond van artikel 47c, eerste lid, van de PW. De Svb had moeten onderzoeken of en, zo ja, hoe betrokkene in zijn levensonderhoud kon voorzien maar heeft dit niet gedaan. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of de toepassing van artikel 24 van Pro de PW in het geval van betrokkene leidt tot een financieel schrijnende situatie.
Het standpunt van de Svb
3. De Svb is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en de Svb de opdracht heeft gegeven om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die de Svb in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat er in dit geval een onderzoek moet plaatsvinden om te beoordelen of er reden is om de AIO-aanvulling af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van betrokkene. Deze afstemmingsmogelijkheid is voor de Svb vastgelegd in artikel 47c van de PW maar is gelijkluidend aan artikel 18 van Pro de PW.
4.2.
De Svb heeft aangevoerd dat in dit geval kan worden geconcludeerd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de AIO-aanvulling moet worden afgestemd, zonder nader onderzoek naar de financiële situatie van betrokkene. Dat is het geval omdat de omstandigheid dat de echtgenote van betrokkene langer dan toegestaan in het buitenland heeft verbleven niet kan leiden tot een zeer bijzondere situatie. Het was immers de keuze van de echtgenote zo lang in het buitenland te verblijven. De echtgenote, die tot het gezin van betrokkene behoort, had de mogelijkheid tijdig terug te keren naar Nederland, in welk geval ongewijzigd aanspraak naar de gehuwdennorm had bestaan. Deze grond slaagt om de volgende redenen.
4.2.1.
Voor afstemming is slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Dit is vaste rechtspraak. [1] Of in het individuele geval moet worden afgestemd hangt af van de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de betrokkene. Het college of de Svb moet daarbij voor ogen houden in hoeverre bijstandverlening in het individuele geval noodzakelijk is. De financiële situatie van een betrokkene is hierbij vaak een belangrijk gegeven, maar niet als op grond van de omstandigheden en de mogelijkheden van een betrokkene al kan worden geconcludeerd dat van zeer bijzondere omstandigheden geen sprake is. Zo’n geval doet zich hier voor.
4.2.2.
De Svb heeft terecht opgemerkt dat het in dit geval binnen de mogelijkheden van de echtgenote lag om te voorkomen dat betrokkene werd geconfronteerd met een inkomensterugval, dan wel deze situatie te beëindigen, door niet langer dan toegestaan in het buitenland te verblijven. Zij had ook terug kunnen komen naar Nederland. Gelet daarop en gelet op de relatief korte periode waarover het hier gaat, bestaat geen noodzaak om eventuele financiële gevolgen van verblijf in het buitenland op te vangen door meer AIO-aanvulling te verstrekken aan betrokkene dan de norm voor een alleenstaande.
4.2.3.
De Svb heeft zijn onder 4.2 weergegeven standpunt niet kenbaar gemaakt in het bestreden besluit. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, sprake is van een motiveringsgebrek en niet van een gebrekkig onderzoek. De rechtbank mocht daarom het bestreden besluit vernietigen, maar dit besluit had moeten worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de Svb zijn hiervoor weergegeven standpunt in beroep alsnog kenbaar heeft gemaakt en zich gelet daarop terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen noodzaak bestaat om af te stemmen, kunnen nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Uit 4.2.3 volgt dat het hoger beroep van de Svb slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover de Svb daarbij de opdracht heeft gekregen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak. In plaats daarvan wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Dit betekent dat de AIO-aanvulling van betrokkene en zijn echtgenote niet zal worden afgestemd.
5. Betrokkene krijgt geen vergoeding voor de proceskosten die hij in hoger beroep heeft gemaakt. De reden hiervoor is dat de Svb in hoger beroep in overwegende mate in het gelijk is gesteld. De Svb hoeft daarom ook geen griffierecht te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de Svb is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van S. van Pelt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2024.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) S. van Pelt

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492.