Betrokkene ontvangt een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) op grond van de Participatiewet. De echtgenote verbleef van 15 juni tot 11 september 2019 in Turkije, langer dan de toegestane vier weken. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag daarop de AIO-aanvulling en paste deze aan naar de norm voor een gehuwde met een niet-rechthebbende partner.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde dit besluit omdat de Svb niet had onderzocht of er bijzondere omstandigheden waren die afstemming van de AIO rechtvaardigden, waardoor betrokkene geconfronteerd werd met een inkomensterugval. De rechtbank gaf de Svb opdracht een nieuw besluit te nemen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die afstemming vereisen, omdat het verblijf van de echtgenote in het buitenland een bewuste keuze was en binnen haar mogelijkheden lag om terug te keren. De Raad stelt dat de Svb dit standpunt niet in het besluit had gemotiveerd, wat een motiveringsgebrek oplevert, maar dat het beroep van de Svb slaagt omdat dit standpunt in hoger beroep is toegelicht.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die de Svb opdroeg een nieuw besluit te nemen en bevestigt dat de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit in stand blijven. Betrokkene krijgt geen proceskostenvergoeding omdat de Svb in hoger beroep in overwegende mate in het gelijk is gesteld.