Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als praktijkondersteuner, meldde zich ziek op 25 juli 2019 en vroeg op 12 mei 2021 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe en beoordeelde de re-integratie-inspanningen van de werkgever als voldoende. Appellante maakte bezwaar tegen het uitblijven van een loonsanctie wegens vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen, maar het UWV en de rechtbank verklaarden dit bezwaar ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft afgezien van het opleggen van een loonsanctie. Zowel spoor 1 als spoor 2 van het re-integratietraject zijn adequaat opgezet en uitgevoerd, waarbij het spoor 2 traject op advies van de bedrijfsarts tijdelijk is stopgezet vanwege de gezondheid van appellante. De Raad benadrukt dat het opleggen van een loonsanctie een reparatoir karakter heeft en dat het niet draait om de oorzaak van het niet-bevredigend re-integratieresultaat, maar om de vraag of de werkgever aan zijn wettelijke verplichtingen heeft voldaan.
Appellante stelde dat de werkgever het re-integratietraject heeft tegengewerkt en dat het UWV haar visie onvoldoende heeft meegewogen, maar deze gronden werden verworpen. De Raad bevestigt dat de werkgever voldoende inspanningen heeft verricht en dat het civielrechtelijke oordeel over verwijtbaarheid niet leidt tot een ander bestuursrechtelijk oordeel. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen loonsanctie op te leggen wordt bevestigd.