Appellant, voormalig taxichauffeur, vroeg een WIA-uitkering aan wegens vermeende toegenomen arbeidsbeperkingen sinds 2017. Het UWV weigerde de uitkering omdat de beperkingen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortvloeiden en niet waren toegenomen binnen vijf jaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat nieuwe aandoeningen zoals carpaal tunnelsyndroom en slaapstoornis als nieuwe ziekteoorzaken moeten worden beschouwd en buiten beschouwing blijven.
Appellant voerde aan dat deze nieuwe aandoeningen wel meegewogen moesten worden en dat er sprake was van onzorgvuldig medisch onderzoek. Ook stelde hij dat de slaapstoornis verband hield met eerdere aandoeningen en dat de beperkingen per 2021 waren toegenomen, onderbouwd met rapporten van zijn verzekeringsarts Van Amelsfoort. De Raad volgde dit niet, omdat de medische rapporten van het UWV zorgvuldig waren en de nieuwe aandoeningen niet als voortzetting van eerdere ziekteoorzaken konden worden gezien.
De Raad benadrukte dat de bewijslast rust op degene die stelt dat er geen causaal verband is en dat de rapporten van Van Amelsfoort onvoldoende onderbouwing boden voor een urenbeperking per 2021. Ook werd geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd verworpen, waarmee de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd bleef.