ECLI:NL:CRVB:2024:1284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2016 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek tot herbeoordeling door haar ex-werkgever heeft het UWV vastgesteld dat zij slechts 19,57% arbeidsongeschikt is, wat leidt tot beëindiging van haar uitkering per 7 december 2022.
De rechtbank Rotterdam heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en overtuigend was en dat de geselecteerde functies haar belastbaarheid niet overschrijden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij duurzaam volledig arbeidsongeschikt is en verwees naar een expertiserapport dat dit zou bevestigen.
De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank en het UWV in hun oordeel. De Raad stelt vast dat er geen sprake is van een ernstige psychische stoornis die haar functioneren op microniveau ernstig beperkt, en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en gemotiveerd zijn uitgevoerd. Ook ziet de Raad geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.